De bluegrassmandoline lijkt op de daaruit ontwikkelde (en niet andersom zoals wel wordt verondersteld) archtop-jazzgitaar. In bouwwijze is deze gelijk aan een viool met een gestoken, gewelfd voor- en achterblad en gebogen zijkanten. De klank is hierdoor steviger, warmer en meer van een 'houten' karakter dan van de luitvormige mandolines. Het patent op deze bouwwijze van mandolines berustte bij Orville Gibson, die hiermede zijn carrière begon als bouwer van snaarinstrumenten. De ultieme bluegrassmandolines zijn de modellen A-5 (een prototype) en F-5 van de Gibsonfabriek uit de periode 1920- 1925. Het ontwerp hiervan is van Lloyd Loar, de hoofdontwerper van Gibson in die dagen. Tegenwoordig worden zeer goede kopieën (en verder verbeterde modellen) gemaakt door o.a. Steven Gilchrist uit Australië.